In maart 2000, precies een jaar na het uitbreken van de NAVO-aanval om Joegoslavië te verscheuren – ook wel de ‘Kosovo-oorlog’ genoemd – drukte het pas opgerichte NAVO-Toezichtcomité een bescheiden ‘Alerte OTAN n°1" [NAVO-Alarm nr. 1’] van vier pagina’s af.
Het is duidelijk: in maart 2000 hadden we liever gezien dat er nooit een ‘NAVO-Alarm nr. 100’ zou zijn verschenen; we hadden graag al veel eerder ‘overbodig’ zijn geweest. Maar nee: de NAVO vormt meer dan ooit een bedreiging voor de wereldvrede, en haar schaduw reikt inmiddels ver buiten het ‘Noord-Atlantische gebied’.
Nr. 100… Helaas valt er vandaag de dag niet veel te vieren. De wereldsituatie brengt ons niet 26 jaar terug in de tijd, maar meer dan 100 jaar. Het geluid van de laarzen klinkt steeds oorverdovender, het „opofferen van de eigen kinderen voor het vaderland“ is weer in de mode in Europa, waarvan de allerergste waanzinnige oorlogspropaganda niet zou hebben misstaan in de pers van Goebbels.
Wat betreft de leider van de onbetwiste grootste militaire macht ter wereld, onze grote ‘bondgenoot’ binnen de NAVO: hij verwijst eerder rechtstreeks naar de 19e eeuw – de goede oude tijd van piraterij en bloedbaden, zonder zich iets aan te trekken van die zo vervelende begrippen als internationaal recht en internationale rechtvaardigheid. De periode van meedogenloze kolonisatie en genocide op de inheemse Amerikaanse bevolking wordt door Israël, de bevoorrechte bondgenoot van de NAVO in het Midden-Oosten, zonder omwegen herhaald, in de zekerheid van straffeloosheid en de onvoorwaardelijke steun van de Atlantische wereld, wat het ook doet, hoe openlijk het dat ook doet.
In het hoofdartikel van het eerste nummer schreef Marcel Poznanski al: „De NAVO drijft de militaire begrotingen van België en zijn 18 andere leden omhoog.“ – we zijn in het jaar 2000... – „De uitbreiding van het NAVO-gebied naar het oosten, met name onder het mom van het ‚Partnerschap voor de Vrede‘, duidt op de wil om de greep op Rusland te versterken“. We zijn er. De greep is goed aangetrokken.
De oorlog in Kosovo, die aanleiding gaf tot de oprichting van ons Comité, was het startschot, het model voor de oorlogen die nog zouden volgen. Onder het masker van afwisselend “humanitaire hulp”, “terrorismebestrijding” of, als hoogtepunt van ironie, “verdediging van het internationaal recht”, was uitsluitend de wanhopige poging van de westerse wereld, om haar steeds wankeler wordende orde met geweld op te leggen, de centrale drijfveer achter al deze oorlogen, waarin de NAVO min of meer openlijk tussenbeide komt, van de invasie in Afghanistan tot de huidige agressie tegen Iran – tot aan deze zogenaamd „Rusland tegen Oekraïne“ oorlog, maar in werkelijkheid nu al, en steeds duidelijker, „van de NAVO tegen Rusland“.
In dat eerste nummer werd de passiviteit, het afzijdig blijven en zelfs de min of meer stilzwijgende goedkeuring van vrijwel de gehele vredesbeweging tegenover de agressie tegen Joegoslavië scherp aan de kaak gesteld. Dat zouden we 26 jaar later in ieder geval niet meer schrijven: vandaag de dag tonen de enorme mobilisaties en demonstraties in heel Europa aan dat een steeds groter deel van de bevolking in opstand komt tegen de oorlogen. Ze zorgen ervoor dat de strijd van de vredesbewegingen, de vakbonden, de studenten, het zorgpersoneel en de werknemers uit alle sectoren, die door de militarisering worden aangevallen, samenvloeit tot één strijd.